Zo goed kan rosé zijn

Hilary Akers in FD 2 juni

In de winkel zie je rijen vol wijn die aan bloedarmoede lijdt. Maar dat rosé een pips gekleurde wijn zou moeten zijn, is een grote misvatting. Pipse rosé heeft zich vanuit de Franse Provence als een wijnvlek over de hele wereld verspreid.

Onlangs ontdekte ik dat een stelletje wetenschappers in de Provence de kleur van rosé in maar liefst dertien nuances heeft onderverdeeld. Die kun je als gel in buisjes aanschaffen bij het Centre du rosé. Nu weet ik dat ik voortaan in mijn proefnotities kan aangeven of de kleur van een bepaalde rosé zand, parelmoer, uienschil, zalm, koraal of een van de acht andere nuances is. Eerlijk gezegd interesseert mij dat geen zier. Wat me wel bezighoudt, is dat we door indoctrinatie uit de Provence denken: pips = normaal, pips = goed. Dat is gewoon niet waar. Kleur zegt niets over smaak of kwaliteit. Toch zou ik graag zien dat er meer donkergekleurde rosés in de schappen komen te liggen. Rosés met een volle, vrolijke, eetlustopwekkende kleur.

Na dit kleurgeneuzel op detailniveau­ is het tijd eens te bespreken waarom rosé eigenlijk roze van kleur is. De meesten van jullie zullen ongetwijfeld zeggen: dat komt doordat rosé van rode druiven wordt gemaakt, of: dat komt doordat rosé een mengsel is van rode en witte wijn. Beide kloppen, al is het mengen van rode en witte wijn alleen toegestaan bij bubbelwijn als rosé-champagne. Bij bubbelloze wijn – oftewel stille wijn – met een beschermde herkomstbenaming is dat mengen niet toegestaan.

Eetrosé moet ’t juist niet van z’n fruitigheid hebben. Een bak fruit bij pasta is ook niks

In dat geval wordt rosé meestal gemaakt door de schillen van gekneusde rode druiven een tijdje samen met het altijd kleurloze druivensap in een vat te laten dobberen, zodat ze hun kleur kunnen afgeven. Bij rode wijn kan dat weken duren, bij rosé gaat het om uren. Hoe langer ze mogen dobberen, hoe meer kleur. Maar – en dit is belangrijk – sommige rode druiven bevatten van zichzelf al veel meer kleurstoffen dan andere. Zo is de grenachedruif een belangrijk ingrediënt van een Provence-rosé, en die geeft weinig kleur af.

Op deze manier wordt rosé gemaakt als rosé het hoofdproduct is. Maar in een gebied dat gespecialiseerd is in rode wijn, kan een wijnmaker tijdens de eerste uren van het maken van een rode wijn besluiten een deel van het sap uit de tank te laten ontsnappen en daar rosé van te maken. Dat afvloeien, oftewel ‘bloeden’, van de wijn heet op z’n Frans de saignée-methode. Het effect op de rode wijn is dat de schilletjes van de rode druiven nu in minder druivensap achterblijven en een geconcentreerdere rode wijn kunnen opleveren.

Roseetje op een terrasje

We kunnen rosé ook op een andere manier indelen: rosé die je als roseetje drinkt als je een terrasje pakt en rosé voor bij het eten. Er is een groot verschil tussen die twee. Terrasrosé moet fruitig en vrolijk zijn en niet te diepgravend. Terwijl eetrosé het nou juist niet van z’n fruitigheid moet hebben. Een bak fruit bij je pasta met schaaldieren of salade met gegrilde aubergine en olijven, is helemaal niet lekker.

Helaas zie je niet aan de fles en ook niet aan de kleur met welk type je te maken hebt – achter een pips uiterlijk kan een echte eetrosé schuilgaan. Je zult ’t moeten vragen of op een bordje moeten lezen als je hem koopt. De kenmerken van een eetrosé – en over die categorie gaat het hier – zijn: hartigheid, liefst met wat bitters of ziltigheid, en graag een beetje kruidigheid. Je vindt ze over de hele wereld.

Lees het volledige artikel: FD Persoonlijk

Mas Bertrand Roc & Lune rosé

Tot slot komen we aan in de wijnstreek Languedoc, bij de allerdonkerste rosé, de Roc & Lune 2020 van Domaine Malavieille. En wat zegt importeur Vinoblesse over deze wijn? Hij was te donker om door de ballotagecommissie te komen die de appellations uitdeelt. Ik wist niet eens dat dat kon. Daarom is het een doodgewone Vin de France geworden.

Dit is geen kinderachtige wijn (vinoblesse.nl, 10 euro), want hij is gemaakt van druivenstokken van 120 jaar oud, van het druivenras carignan en gerijpt op cementen vaten. Steek je neus in het glas en je weet dat er iets te gebeuren staat. Een volle, intense, donkere en duistere geur, niet roséfris, nee, echt niet. Hij glijdt soepel je mond in en dan is er een smaak vol umami, krachtig, stenig, hartig, kruidig en hier wel een prachtige frisheid. Slik je de wijn door, dan dendert hij gewoon nog een tijdje door. Zelfs een beetje boers, dat kom je zelden tegen. Joepie!, denk ik, en neem nog een slok. Dat rosé zo’n avontuur kan zijn.

Hilary Akers

Lees het volledige artikel: FD Persoonlijk

Of als pdf1 pfd2 pdf3